overzicht vogels
 PICT5087
   Boomklever, Sitta europaea

De boomklever dankt zijn naam aan het vermogen bomen zowel omhoog als omlaag te beklimmen, waardoor de vogel als het ware lijkt te kleven aan de stam, zonder te vallen. Boomklevers zijn holenbroeders en staan erom bekend de opening van hun broedholte te verkleinen door te 'metselen' met modder. Deze metseldrang is vaak zo sterk, dat ook wanneer het gat al de juiste grootte heeft, er in de omgeving toch nog een metselwerk gemaakt wordt. Boomklevers die in nestkasten broeden maken bijvoorbeeld een versterkt dakoverstek boven de invliegopening. 
 

status: Broedvogel
trek/stand/winter: Volwassen boomklevers zijn echte standvogels, maar jonge boomklevers kunnen aanzienlijke zwerftochten maken alvorens een eigen territorium te vinden om zich daar voorgoed te vestigen.
Trend en aantal: De totale Nederlandse boomkleverpopulatie wordt geschat op ongeveer 16.000 tot 20.000 paren. Dat is beduidend meer dan de 5.000 tot 6.000 paren welke in de periode 1973 - 1977 werden vastgesteld. Deze toename is te danken aan het ouder worden van bossen in Nederland.
Foerageer- en broedbiotoop: Soortenrijke bossen met loofbomen, het liefst oude eiken, en enkele open plekken zijn uitstekend geschikt voor de boomklever. De soort is gebonden aan het voorkomen van spechten, welke de broedholten uithakken waarvan de boomklever gebruik maakt. Het voedsel van de boomklever wordt gezocht door nauwkeurig de schors van bomen te inspecteren op insecten. Ook zaden en noten worden gegeten; boomklevers kunnen dan ook gezien worden terwijl ze verwoed inhakken op een met de poten vastgehouden vrucht. 
(informatiebron: Vogelbescherming)