kievit_ IMG_0774
  Klik op onderstaande kleine foto's of nummers voor meer foto's, of gebruik deze link:
terug naar Overzicht Alle foto's

IMG_0661

IMG_0732

IMG_0745

IMG_0774

Graspieper, Anthus pratensis, Meadow Pipit

Het ligt voor de hand, maar een graspieper is inderdaad een vogel die voornamelijk 'in het gras zit en 'piep' zegt'. Bij het opvliegen dan, want op de grond zijn de vogels muisstil. Vrijwel elk open gebied met een korte vegetatie - of het nu weilanden, duinen, akkers, heiden of hoogvenen zijn - wordt bewoond door graspiepers. De vogel is dan ook overal in Nederland aan te treffen in het buitengebied.

Status: Zomervogel.
Trek-Stand-Winter: De Nederlandse graspiepers trekken na de broedtijd grotendeels weg naar Zuidwest-Europa. 's Winters zijn in Nederland waarschijnlijk met name vogels uit ScandinaviŽ te zien. Als het koud is in Nederland trekken ze door. De voorjaarstrek naar het broedgebied begint al eind februari tijdens zachte winters. Als het koud is gebeurt dat later. De piek is half april. Trekt dan in grote aantallen (tot soms tienduizenden per dag). In het najaar trekken de vogels naar hun overwinteringsgebied vanaf eind september. Half oktober is de piek. Dagtrekker met een voorkeur voor de ochtend.
Trend en Aantal: De aantallen broedparen nemen al tientallen jaren af, met minder dan 5% per jaar. Er is enige invloed van strenge winters in de overwinteringsgebieden (West- en Zuidwest-Europa). In zachte winters in Nederland algemener dan in koude.
Fourageer en Broedbiotoop: Nestelt op de grond, goed verscholen in de vegetatie. Broedt vanaf eind maart tot in augustus. Twee broedsels. Meestal 4-5 eieren. Broedtijd 13 dagen, jongen vliegen uit na ca. 13 dagen, maar verlaten het nest vaak voor ze vliegvlug zijn. Worden daarna nog 12-14 dagen gevoerd.
Leefgebied: Broedt in korte vegetatie in allerlei open landschappen: open duin, heide, kwelders en open hoogveengebieden. In boerenland in graslanden en bouwlanden met veel sloten en dijkjes. Hoogste dichtheden in duinen; tegenwoordig bijna niet meer in graslanden te vinden. Buiten de broedtijd vooral in vochtige graslanden en duinvalleien en op akkers.
Voedsel: Insecten, spinnen en vele andere geleedpotigen tot een lengte van ca. 5 mm lengte; in Nederland veel langpootmuggen en vliegen. Buiten de broedtijd ook wel zaden. Voedsel wordt lopend gezocht en van de grond af of van vegetatie tot ca. 10 cm hoogte gepikt.
         
(informatiebron: vogelbescherming)