kievit_ IMG_0617
  Klik op onderstaande kleine foto's of nummers voor meer foto's, of gebruik deze link:
terug naar Overzicht Alle foto's

IMG_0594

IMG_0610

IMG_0617

IMG_0618

Kievit, Lapwing , Vanellus vanellus

De kievit is een van de meest kenmerkende (weide-)vogelsoorten van ons land. Hij is onmiskenbaar met zijn kuif, zijn zwart-witte kleed en zijn unieke, opvallend brede vleugels. Deze spelen in de baltsvlucht een belangrijke rol, waarbij de kievitman spectaculaire buitelingen maakt en de zwart-witte ondervleugels van ver zichtbaar zijn. Aan de 'zang' die hij dan laat horen heeft de kievit zijn naam te danken. Ook de vleugels maken een opvallend geluid.
Zwart-witte onderzijde, opvallende kuif, brede vleugels. Op rug mooie groene en paarse metaalglans. Vrouwtje minder contrastrijk getekend en gekleurd en een kortere kuif. Heeft ook iets spitsere vleugels dan het mannetje. Buiten broedtijd lijken geslachten sterk op elkaar en heeft de kievit een lichte keel.

Status: Jaarvogel.
Trek-Stand-Winter: Zeer talrijke broedvogel; doortrekker in uiterst groot aantal; wintervogel in zeer groot aantal. Noordelijke delen van omvangrijk broedgebied worden geheel verlaten. Korte en middellange afstandstrekker, pendelt heen en weer met vorstgrens.
Trend en Aantal: De kievit komt in geheel Europa voor. De aantallen zijn echter in het zuiden een stuk kleiner dan in meer gematigde en noordelijker streken.
Fourageer en Broedbiotoop: Territoriaal, vaak semi-koloniaal. Man heeft soms meerdere vrouwtjes. Nest een kuiltje in de grond, bekleed met strootjes. Eileg van begin maart tot in juni, piek eind maart tot begin mei. En tot twee broedsels per jaar, meestal 4 eieren. Vooral het vrouwtje broedt. Broedduur 26-29 dagen. Jongen (nestvlieders) zijn met 35-40 dagen vliegvlug. Verdedigen nest met verve tegen belagers, waardoor andere soorten graag onder de beschermende paraplu broeden.
Leeft in zo open mogelijk landschap, vrijwel uitsluitend agrarisch gebied (graslanden en akkers). Zeer kleine aantallen broeden nog steeds in duinen, op kwelders en op natte heide en hoogveen. Bereikt de hoogste dichtheden in Laag-Nederland in vochtige, open graslanden en in Hoog-Nederland in boerenland met een afwisseling van mas en gras. Broedt graag in kort gras, afgewisseld met kale plekken. Buiten de broedtijd vooral in open grasland- en bouwlandgebieden, ook wel in zeer ondiep water.
Voedsel: Allerlei ongewervelden die op of vlak onder de grond leven. Vooral regenwormen, maar ook allerlei soorten insecten en hun larven, spinnen, slakjes. Oogjager, zoekt voedsel op kenmerkende plevierenwijze: lopen, stilstaan, pikken etc. Gebruikt ook gehoor om prooi te vinden. Foerageert ook tijdens maanlichte nachten, eet dan vooral regenwormen. Trappelt met tenen naar voren om wormen naar de oppervlakte te lokken
         
(informatiebronnnen: Vogelvisie, sovon, vogelbescherming)