terug naar overzicht vogels
  IMG_5192
  IMG_5197
  IMG_5202
 IMG_5189
   Paarse Strandloper, Calidris maritimas, Purple Sandpiper

De paarse strandloper is heel kenmerkend met zijn gele poten en donkere, in de winter paarsbruine kleed. Een sterk aan de kust gebonden soort, die je niet op het strand vindt. Hij zit alleen op basaltblokken langs dijken, pieren en strekdammen. Een tamme soort die vaak optrekt met steenlopers

Strandloper van stenige oppervlakten. Zeer kenmerkend, donker kleed, met een lichte buik. Gele poten en gele snavelbasis. In vlucht komt hij ook donker over; opvallend zijn de witte vleugelstrepen en witte staartzijden.
 

status: Trekvogel
trek/stand/winter: Wintervogel
Trend en aantal: In de winter vrijwel uitsluitend te vinden aan zee, op harde substraten, vooral op basalt en beton. Dijken, pieren, strekdammen. Soms in gras op zeedijken. Vaak in de spatzone van golven. Broedt aan arctische kusten, op hoogvlakten en in gebergten, vaak vlakbij plekken met sneeuw en ijs met natte mosvegetaties of in kale, steenachtige toendra met korstmos. Ook op rotseilandjes en kiezelstranden.
Foerageer- en broedbiotoop: Monogaam en territoriaal, maar zoekt ook buiten territorium voedsel. Paren broeden meestal niet dicht bij elkaar. Legtijd van midden mei (Noorwegen) tot midden juli (SiberiŽ). Broedt op de grond in ondiep kuiltje, dat relatief rijkelijk is bekleed met plantenmateriaal. Beide geslachten broeden. Heeft 1 broedsel, meestal 4, soms 3 eieren. Broedduur 21-25 dagen. Jongen nestvlieders, vliegvlug na 19-24 dagen. Vrouwtje verlaat voor het uitvliegen de jongen, mannetje hoedt ze dan alleen.
In de winter vooral mollusken (slakjes, mossels), maar ook insecten (kevers, vliegen), kleine kreeftachtigen (vooral vlokreeftjes), ringwormen, kleine visjes en algen.
In de broedtijd vooral insecten en springstaarten, ook spinnen, slakken, wormen en wat plantenmateriaal (blaadjes, knoppen, bessen, zaden).
(informatiebron: Wikipedia)