Grote Kruisbek, Loxia pytyopsittacus, Parrot Crossbill
8694_171017 8762_171017 8767_171017 8785_171017  
Met zijn boven gemiddelde formaat en sterke snavel, is de appelvink de krachtpatser onder de vinken. Uit onderzoek is gebleken dat hij met zijn snavel een drukkracht van 50 kilogram kan uitoefenen. Een kersenpit is daarmee moeiteloos gekraakt. De soort is schuw en waakzaam, en brengt het grootste deel van de tijd hoog in grote bomen door. Zijn verborgen gedrag en onopvallende geluid maakt de appelvink al met al vrij moeilijk waarneembaar.
Forse vinkachtige met een kegelvormige snavel, dikke kop en ‘stierennek’. Het verenkleed van de appelvink is overwegend roestbruin, maar met veel accenten. Brede witte vleugelstrepen, aan de korte staart zit een witte eindband en de rug en vleugels zijn donkerbruin. Opvallend zijn de diepblauwe, gekrulde toppen van een deel van de slagpennen. En ook de snavel van de mannelijke appelvink verkleurt naar staalblauw als het voorjaar eraan komt.
 
Broedt van begin mei tot midden augustus en heeft meestal één, maar soms twee legsels per jaar. Legsels bestaan meestal uit 4-5 eieren. Broedduur 11-13 dagen. Hun nest bouwen ze hoog tegen de stam van bomen in klimop, of in de ondiepe holte van een gevorkte tak. De appelvink is geen koloniebroeder. Wel zijn kleine groepjes dicht bij elkaar broedende koppels waargenomen. De jongen zitten 11-13 dagen op het nest. Als ze uitvliegen nog maximaal twee weken in de omgeving van het nest.
Dichte, hoge loof- en gemengde bossen en parken met rijke structuur, vooral op rijke gronden, op zowel klei- als zandgrond, vaak met zoete kers en Spaanse aak. De appelvink is redelijk honkvast, en keert vaak jaren achtereen terug naar een locatie waarvan hij weet dat er voedsel te vinden is.
Zang is onopvallend. Zacht, ritmisch en doorspekt met kenmerkende roepen en kwelende klanken. Roep in zit en in vlucht een luide, explosieve tik, roodborstachtig; vaak ook merelachtig, hoog "tsiii".




(info van Vogelbescherming.nl)
Het favoriete voedsel van appelvinken bestaat uit zaden van verschillende kersensoorten, en bomen als de Spaanse aak en haagbeuk. De zaden van de Spaanse aak (‘helikoptertjes’) zijn zeer olierijk en geven de appelvinken veel energie. Ze zijn bovendien eenvoudig te kraken. De zaden worden liefst gegeten als ze nog in de bomen hangen, maar appelvinken zoeken ze ook op tussen het gevallen blad op de grond. Soms komen appelvinken op voertafels met zonnebloempitten.
Lokale populaties van de appelvink kunnen zowel stand- als trekvogels zijn. Nederlandse appelvinken trekken in zeer strenge winters weg naar België en Frankrijk, maar deze wegtrekkers worden gecompenseerd door overwinteraars uit noordelijker streken. Meestal blijven appelvinken echter in zwervende, kleine wintergroepen ter plaatse.