Morinelplevier, Eurasian Dotterel, Charadrius morinellus
2363_190518 2407_190518 2411_190518 2416_190518  
De morinelplevier is een zeer schaarse doortrekker, die vooral in het voorjaar op vaste pleisterplaatsen op uitgestrekte akkers wordt gezien. Broedvogel van noordelijke hoogvlakten; de verrassing was groot toen in de jaren zestig er nesten werden gevonden op akkers in de Noordoostpolder en in Oost-Flevoland. Het bleef echter bij incidenteel broeden. Morinellen zijn vaak tam.

In prachtkleed in het voorjaar onmiskenbaar. Brede witte wenkbrauwstreep contrasteert met donker petje. Grijze rug, hals en borst, witte borstband, roodbruine buik en flanken overgaand in donkerbruine buikvlek. Vrouwtje is feller gekleurd en getekend dan het mannetje. Lijkt in najaar meer op kleine goudplevier; let dan vooral op de borsttekening.
 
Paarvorming vindt plaats op gemeenschappelijke baltsplaatsen. Vrouwtje kan meerdere mannetjes hebben en twee soms drie legsels produceren. Mannetje neemt volledige broedzorg op zich. Nest bestaat uit een kuiltje in de grond, bekleed met wat mos of korstmos. Legtijd van half mei tot begin juli. Legsel bestaat uit meestal drie eieren. Broedduur 21-29 dagen, meestal broedt alleen mannetje. Bij meerdere legsels van één vrouwtje broedt het vrouwtje vaker. Jongen zijn nestvlieders en vliegvlug na 19-30 dagen.
Op voorjaarstrek vrijwel uitsluitend akkers met veel kale grond of heel kort gewas. Op najaarstrek ook op groene stranden, kwelders en braakliggend terrein. Vaak plaatstrouw aan doortrekgebieden. Broedt op hoogvlakten en vlakke berghellingen die schaars begroeid zijn met mos en korstmos en met veel stenen. In Nederland voormalige broedvogel van akkers met veel kale grond. 
Zacht fluitend, met een brom erin.












(info van Vogelbescherming.nl)
Vooral insecten en hun larven (veel kevers, vliegen), spinnen en andere geleedpotigen; daarnaast ook wel slakjes, regenwormen. Soms bessen. Net als andere plevieren oogjager, zoekt naar voedsel op de grond of net onder de oppervlakte. Foerageert op plevieren-manier (lopen-stoppen-pikken, etc.) maar loopt veel grotere afstanden tussen het pikken dan andere plevieren. Zoekt ook in maanlichte nachten naar voedsel.
Trekt in breed front en gebruikt traditionele pleisterplaatsen. Trekt in herfst waarschijnlijk in non-stopvlucht naar Noord-Afrika. Trek van begin augustus tot half oktober, in Nederland vooral half augustus-half september. Voorjaarstrek in West-Europa van half april tot eind mei. Pleistert dan vaak dagenlang. Trekt zowel overdag als 's nachts.