Bergeend, Common Shelduck, Tadorna tadorna
     
0574_180418 0578_180418 0579_18-0418 8711_130619  
De bergeend is vooral kustbewoner. Hij broedt in holen en voedt zich met (week)diertjes uit zachte slikbodems. De bergeend vertoont zich als broedvogel steeds vaker in het binnenland, langs de grote rivieren en andere slikrijke gebieden. In de mondingen van de Weser/Elbe en ook in delen van de Nederlandse Waddenzee, maakt bijna de gehele Noordwest-Europese populatie in het najaar de rui door.

De bergeend zit een beetje tussen eend en gans in. Het mannetje onderscheidt zich van het vrouwtje door een knobbel op de felrode snavel. De bontgekleurde schakeringen op een verder wit verenkleed maken de vogel in het veld duidelijk herkenbaar

58-67 cm, spanwijdte 110-133 cm
Eileg vanaf april tot in juni. Eén legsel met meestal 8-10 eieren. Broedduur ongeveer 28 dagen. Nest veelal in verlaten konijnenhol. Alleen het vrouwtje broedt. Andere nestlocaties zijn holtes onder aanspoelsel of tussen dichte vegetatie. Kuikens gaan al snel met de ouders naar het water. Jongen verzamelen zich geleidelijk in crèches van tientallen, onder de hoede van enkele oude vogels.
In ons land vormen de duinen traditioneel de ideale broedbiotoop voor bergeenden. Ze benutten er verlaten konijnenholen voor het nest. Als er periodiek ziektes uitbreken onder de konijnen en de stand daardoor afneemt, heeft dat gevolgen voor de bergeend. Er zijn dan minder holen beschikbaar en de vegetatie neemt toe. Jonge bergeenden kunnen dan moeilijker uit de voeten wanneer ze het nest verlaten. Behalve de duinen broedt de bergeend ook op kwelders, in veenweiden en langs de rivieren. Voor hun voedsel zijn bergeenden afhankelijk van voedselrijk slik. Het wad bijvoorbeeld, maar ook modderige sloten en slikranden langs de uiterwaarden.
Mannetjes tijdens balts hoge, zachte fluitjes en trillers; vrouwtjes roepen laag "rra-rra-rra-rra" en "a-a-a-a...."







(info van Vogelbescherming.nl)
Kleine schelpdieren en slakjes, garnalen en andere kreeftachtigen, wormen en andere kleine bodemdieren, insecten en larven, zaden en ander plantaardig materiaal.
Na de broedtijd trekken bergeenden naar het open water van de Waddenzee om veilig te kunnen ruien. In het Duitse deel kwam lang de gehele West-Europese populatie daarvoor bijeen. Sinds 1995 verblijft ook een deel daarvan in Nederlandse Waddenzee. In het voorjaar gaan ze weer naar hun broedgebieden. Tijdens koude winters trekken bergeenden weg naar Engeland en Frankrijk.